Monica Heikoop

over onderwijsinnovatie en vernieuwingsprocessen

Leren van innoveren…

Nieuwsgierigheid blijft de drijfveer!Leren van innoveren: Zo luidt het proefschrift van Wietske Miedema en Martin Stam. Waarbij de docenten in dit proces centraal staan. Ik heb dit boek gelezen in het kader van LA3, maar ik vind ook weer veel aanknopingspunten voor mijn onderzoek en visie op onderwijs. In deze blog daarom een “gekleurde” samenvatting, met de hoofdpunten die ik van belang vind en een bruggetje naar mogelijke toepassingen.

Allereerst: het proefschrift bevat een aantal cases, waarin een bepaalde manier van werken centraal staat. Deze cases komen uit het vmbo en HBO. Omwille van de tijd en mogelijke herkenning beperk ik mij tot de cases in het HBO. Dat kan, omdat dit ook zo in de hoofdstukken is onderverdeeld.

Maar… beginnend bij het begin: De vraagstelling van het onderzoek luidt:

Wat en hoe leren docenten van het innoveren van het eigen onderwijs?

In hoofdstuk 1 worden al een aantal mensen geciteerd: Lagerweij et al. (2004) die constateren: Mensen willen wel veranderen, maar niet veranderd worden (p.20) en Fullan: If we know one thing about innovation and reform it is that it cannot be done succesfully to others (1991, p. XIV)

Het onderzoek in dit proefschrift richt zich op ervaringen van docenten en docententeams en op de betekenis die zij toekennen aan hun handelen en aan de ervaren problemen bij de vernieuwing van hun onderwijs. (p.3)

De opbouw is als volgt: eerst wordt uitgebreid stilgestaan bij de maatschappelijke context waarin het onderzoek zich afspeelt. Daarna volgt het theoretisch kader, waarin de keuze voor de cultuur-historische activiteitstheorie wordt verantwoord. (p.3).
Daarna worden de onderzoeksvragen uitgewerkt en in een aantal hoofdstukken de gevalsstudies beschreven. Daarna vindt een vergelijkende analyse plaats en volgt antwoord op de hoofdvraag.

Naar aanleiding van de grootscheepse onderwijsvernieuwingen die in Nederland steeds hebben plaatsgevonden, spreekt de volgende conclusie mij erg aan: Planmatigheid, doelgerichtheid en kwaliteit van het onderwijs blijken geen goede handvatten te zijn bij het aansturen en analyseren van complexe veranderingsprocessen, zoals grootschalige innovaties (Lagerweij et al.) Ook Fullan onderschrijft dit weer (waarschijnlijk andersom 😉 )

Op pagina 15 wordt geconstateerd dat het traditionele klassikale onderwijs niet meer voldoet. Daarvoor in de plaats komen het werkplekleren, de studieloopbaanbegeleiding en het competentiegericht leren. Het competentiebegrip wordt breed opgevat en vaak ook centraal aangestuurd (zo ook bij de HR)

Er zijn ook inhoudelijke thema’s binnen onderwijsinnovatie, zoals de activerende didactiek, die voortkomt uit het constructivisme en gezien kan worden als de vertaling van de constructivistische uitgangspunten naar didactische aanpakken in de school en de klas (p.21).

Der vertaling blijkt niet eenvoudig voor docenten, vooral omdat er op 4 niveaus dilemma’s plaatsvinden die moeten worden opgelost: conceptuele (de basis), didactische (nieuwe curriculumontwerpen), culturele (rol docent/student) en politieke dilemma’s (stakeholders). (p.21)

Op pag 25 worden de uitgangspunten van het werkplekleren benoemd: een hoog realiteitsgehalte, een ontwikkelingskarakter, goede begeleiding en ondersteuning van het leerproces, goede randvoorwaarden oftewel is de school goed zichtbaar op de werkplek. Als ik dit zo bekijk en ook het boek van Streumer (Kracht van het werkplekleren) erin betrek, dan denk ik dat onze opleiding op meerdere momenten aan deze eisen voldoet. Vanuit mijn eigen visie denk ik dat de studenten steeds uitgedaagd moeten worden om te willen leren. Dat kan goed met een directe link naar de echte praktijk door middel van opdrachten, klantcontact en het bewust worden van talenten en benodigde competenties.

Omdat onderwijsvernieuwingen commitment van alle lagen in het onderwijs vraagt, kost het implementeren van een vernieuwing tijd. De slingerbeweging waarover gesproken wordt, draagt daar niet aan bij. Er zijn veel risicofactoren, die een gevaar vormen voor een goede invoering van een vernieuwing.

Engeström neemt een belangrijke plaats in het theoretisch kader met de uitleg van de activiteitstheorie in relatie tot onderwijsvernieuwing. Daarbij staat ook centraal het delen van problemen, de pogingen dit op te lossen, daarbij buiten het voorgeschreven script treden en dus tot meer in staat zijn (expansief leren). De Community of Practice neemt daarbij een belangrijke plaats in. Som der delen is meer dan het geheel. Engeström kijkt dan ook niet naar het individu en zijn unieke ervaringen.

Vygotski daarentegen gaat wel uit van de mogelijkheid dat het individu expansief kan leren vanuit de Zone van de Naaste Ontwikkeling (ZNO)

Wanneer deze twee theorieën samen worden gebracht, blijkt (zo hebben Daniels (2001) en Onstenk (1997) beschreven) dat de eigen ontwikkeling kan bijdragen tot het feit dat de som der delen groter is dan het geheel. Daarmee zijn we eigenlijk min of meer terug bij het sociaal-constructivisme. Het gaat er om dat leren een gevolg is van de uitbreiding van het duurzame handelingsrepertoire. (p. 51).

Ook in de theorie van het Creatief Leren van Meijers en Wardekker wordt ingezoomd op het leren van het individu binnen een groepscontext, waarbij grenservaringen en kritische situaties tot leren en naar oplossingen leiden.

In dit onderzoek wordt het leren dan ook van twee kanten benaderd: als een collectieve aangelegenheid in het licht van de zones van naaste ontwikkeling als particuliere aangelegenheid. (p.54).

Het onderzoek dat voor dit proefschrift is uitgevoerd is exploratief, dwz een diepgaande beschrijving van unieke gevallen, waarover nog weinig bekend is. Aan de hand van strakke criteria zijn 4 gevalsstudies geselecteerd.

De onderzoeksopzet is interessant en heeft zich over twee jaar uitgespreid. Via leerbiografieën, SBL-competentiematrix en reflectieve zelfevaluaties zijn de afzonderlijke gevalsstudies beschreven na de analyse. Vervolgens wordt in de vergelijkende analyse gegevens naast elkaar gelegd, om zo conclusies te kunnen trekken.

In een volgende blog wordt in gegaan op de gevalsstudies in het HBO en de uiteindelijke conclusies, anders wordt deze blog veeeel te lang. 😉 MAAR: blijf vooral nieuwsgierig …..

Wordt dus vervolgd ….

Advertenties

Enkel berichtnavigatie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: